Beste mensen,

Als ik op zondagmorgen in de camera kijk, dan doe ik mijn best om jullie in gedachten voor mij te zien. Ik realiseer me dat ik velen van jullie een jaar lang

niet of nauwelijks heb gezien. Intussen hebt u een andere bril gekregen, je liet je baard staan, misschien heb je een andere baan, of opleiding, alleen weet ik dat niet. Natuurlijk zijn onze online-kerkdiensten een uitkomst. Velen van jullie volgen ze trouw. Fijn. Maar het is tegelijk ook behelpen. Mijn oma had twee kinderen in Amerika wonen. Ze schreef ze elke week een brief, ze belde ze elk maand op, maar als de kinderen om de zoveel jaar ‘overkwamen’, zoals oma dat noemde, dan was het feest! Elkaar zien, aanraken, samen aan tafel zitten bij het eten – daar kan geen brief of telefoontje tegenop.

Dat missen we nu als gemeente. Naast elkaar zitten in de bank. Samenzang. Hardop gezamenlijk het Onze Vader bidden. Samen aanzitten aan de maaltijd van de Heer.

In de oude kerk was er een stroming die geloofde dat Jezus, de Zoon van God, alleen in schijn een lichaam had aangenomen. Jezus’ lichaam was ‘nep’.

Een soort van ‘Virtual Reality’. We zouden in deze tijd in de verleiding kunnen komen zo ook over de kerk te denken. We bestaan voornamelijk ‘online’, in de ‘cloud’. We zijn een Ziggokerk.

Maar een ‘virtual reality’ kerk is surrogaat, beter dan niks, maar surrogaat. Dat beseffen we nog meer dan voorheen, toen ‘naar de kerk gaan nog heel gewoon was’. Maar de tijden dat we in drommen naar de kerk gaan komen terug!

Ik denk aan Psalm 42. Een dichter die verlangt naar God en naar zijn tempel.

Hij is er lang niet meer geweest. Hij zegt het zo: Ik gedenk hoe ik vooraan / in de reien op mocht gaan/ om mijn dank Hem op te dragen. Wanneer zal ik Hem weer loven, / juichend staan in zijn voorhoven?

De dichter houdt de moed erin: Eens verschijn ik voor de Heer / vindt mijn ziel het danklied weer. Ik kan niet wachten…